Bn PROJECTS - Maison GREGOIRE

I Could Have Lived Here - M Museum - Leuven

I could have lived here

OPEN M

with : Beatrijs ALBERS & Reggy TIMMERMANS, Stijn ANK, Laura BERGANS, Greet BILLET, Tom BOGAERT, Kris CAMPO, Pieter De RAEDT, Marjolijn DIJKMAN, Bruno HARDT, Bart HENDRICKX, Quinten INGELAERE, Wouter KROKAERT Eda LOHMUS & Wilfried PULINCKX, Liesbeth MARIT, Thomas MIN, Erik NERINCKX, Anna NOA, Sabine OOOSTERLINCK, Kevin REYNAERT, Ellen SCHROVEN, Stefaan SERNEELS, Maarten VANDEN EYNDE, Filip VAN DINGENEN, Annelies VANEYCKEN, Henk Van RENSBERGEN, Bert VAN ROSSEM, Sarah Joy ZWARTS

M MUSEUM LEUVEN - 08/06/2013 - 25/08/2013

I could have lived here, just as you could have lived there and then…

De uitnodiging om de tweede editie (2013) van OPEN M voor mijn rekening te nemen, heeft me zowel verrast als gecharmeerd. Ik was dankbaar voor het vertrouwen dat de ploeg van M, in het bijzonder Luc Delrue en Eva Wittocx, net als de Stad Leuven, in mij stelden. Tegelijk probeerde ik de uitdaging in te schatten : op zeer korte tijd een selectie maken, op basis van een projectoproep een tentoonstelling samenstellen en tot iets komen dat het stadium van de ’salon’-tentoonstelling overstijgt.

Wat mezelf betreft, heb ik eerder de gewoonte om tentoonstellingen te maken met werken van kunstenaars waarvan ik het werk intiem ken. Ik ontwikkel mijn activiteit als curator rond concepten en contexten die me vertrouwd en eigen zijn.

Maar het is juist de openheid voor het onbekende, het onzekere, het idee van het slopen van muren en het zich openstellen voor andere ideeën die me ertoe hebben gebracht om de uitnodiging aan te nemen. Ik werd ook aangesproken door het feit dat de keuze voor een curator van een geografisch afgelijnde projectoproep op iemand uit Brussel viel. Het team van M koos voor de relevantie van een blik die tegelijk van ’buiten’ kwam én vertrouwd aanvoelde, wat overeenstemt met de a-territoriale realiteit van de kunstwereld, die niet volgens hokjes functioneert.

Vorig jaar kwamen alleen kandidaten uit Vlaams-Brabant in aanmerking. Dit jaar leidde een gezamenlijke reflectie ons ertoe de deelnemingsvoorwaarden te versoepelen. Nu stond de projectoproep open voor kunstenaars die in Vlaams-Brabant geboren waren maar er niet noodzakelijkerwijs leven, en voor eenieder die een band met de provincie kon aantonen, door er bijvoorbeeld gestudeerd te hebben, te werken enz.

Het idee bij het opstellen van de geselecteerde werken was onder meer het benadrukken van de manier van tentoonstellen en het versterken van de relaties tussen de werken onderling. Daarom besloot het team van M om de zalen 15, 16, 17 en 18 van het museum beschikbaar te stellen, in plaats van de zalen 21 en 22, waar het project in 2011 een onderkomen vond. Deze beslissing heeft het niet alleen mogelijk gemaakt variatie aan te brengen in het groeperen en installeren van de werken maar, aangezien de gekozen zalen erg verschillend van aard zijn, om ook binnenin de tentoonstelling afzonderlijke sferen te creëren.

De keuze van de titel kwam er heel natuurlijk, als reactie op (en omkering van) de ’territoriale’ dimensie van de projectoproep, een aspect dat, zoals we net zagen, voor deze editie werd versoepeld : I could have lived here – wordt, als we de formule uitbreiden : just as you could have lived there, or then...

We waren allen verrast door het groot aantal dossiers dat voor de tweede editie werd ingediend, maar net zo goed door hun grote diversiteit en hoge kwaliteit. Dit leidde er ons ook toe meer kandidaten te selecteren dan eerst was voorgenomen. Uiteindelijk werden er 29 kunstenaars weerhouden. Het was een beslissing die samenging met de keuze om enkele werken in de ruimtes van de permanente collecties van M te integreren, uiteraard met goedkeuring van de betrokken conservators. Dit versterkt ook binnen het museum zelf het idee van openheid en het slopen van muren, zoals het bij OPEN M centraal staat.

Het feit dat de oproep de belangstelling wekte van zowel bekende en gevestigde als opkomende kunstenaars, of kunstenaars voor wie dit de eerste institutionele presentatie is, vormde een uitdaging. Tegelijk was het een blijk van erkenning voor de plaats die M in de Belgische kunstscène inneemt. Ik heb bijzondere aandacht besteed aan deze dimensie en erop gewaakt de diversiteit te behouden en de bekendheid van kunstenaars niet als selectiecriterium te gebruiken. Zo kon ik mijn aandacht richten op de manier waarop de verschillende voorstellen zouden functioneren en op elkaar inwerken.

We moesten voorkomen om ons te laten binden door een ’thematiek’ in strikte zin. Naast een letterlijke interpretatie naar geografische criteria is de titel dan ook een flexibele, niet-dogmatische leidraad geweest bij het maken van keuzes.
Het gaat met name om vrije verbindingen die geen rem zetten op curatoriële ’zijsprongen’ en die evenmin de polysemie uitputten : de meervoudige dimensies die elk werk noodzakelijkerwijs in zich draagt. Tijdens een bezoek aan de tentoonstelling merkt men nochtans dat veel werken het idee of de verwijzing naar een ’elders’ oproepen. Dat kan een ruimtelijk of geografisch elders zijn, zoals Tom Bogaert met zijn kaarten van Beiroet, gemaakt met verbrijzelde voorruiten of dichter bij huis, de foto’s van de Forges de Clabecq van Pieter De Raedt of de vervallen interieurs van Henk Van Rensbergen. Maar het gaat evengoed om een temporeel elders, zoals de hoofden van de Passed-out guys and girls van Bruno Hardt, opduikend uit een onirisch verleden of de video Misschien van Eda Lõhmus en Wilfried Pulinckx.

Of het handelt zich om werken die zelf al heterotopieën of utopieën zijn. Ik denk hierbij vooral aan Kevin Reynaert met zijn cartografie van een planeet die het smelten van de ijskappen heeft overleefd of de video Surviving New Land van Marjolijn Dijkman, die aan de haven van Rotterdam werd gefilmd op een boot, met op de achtergrond Hollywoodiaanse muziek, waarin een fantoomeiland wordt omcirkeld dat beurtelings onder water staat of naar boven komt : het lijkt wel een nieuw beloofde land.
Het idee van een intiem en subjectief nomadisme dat zich op paradoxale wijze aan het publiek aanbiedt, ontmoeten we in het project Erasing Intimacy van Annelies Vaneycken, dat de ruimte van de grote zaal bedekt met dekens die werden geleend van mensen waarbij de kunstenaar gedurende een periode van haar leven verbleef.

Reggy Timmermans en Beatrijs Albers infiltreerden in de museumreserves om er artefacten uit op te diepen die ze vervolgens met objecten van hetzelfde type (objecten uit dezelfde tijd of objecten die ze zelf bezitten) confronteerden. Ten slotte werden de objecten geïntegreerd in, en opslokt door sculpturale modules, die zo de dynamiek van het ’opgraven’ omkeren.

Dit brengt ons tot een verdere thematische as, die uiteindelijk de eerste vervoegt. Het gaat namelijk om een zekere weerstand tegen figuratieve weergave : in veel voorstellen wijkt de figuur, de gelijkenis, de façade.

Dit zien we zowel bij het verontrustende, ten voeten uit genomen fotoportret van Bart Hendrickx en in de raadselachtige en minutieuze, borstelige vormen van Quinten Ingelaere, als bij de foto van een geblindeerd gebouw van Thomas Min. Die laatste mochten we – met een ironische knipoog – gebruiken als openingsbeeld voor dit project, dat precies openheid en transparantie uitdrukt.

Een ultiem ’achterpoortje’ in het project is het voorstel Billy Bluebird van Filip Van Dingenen. Het is een raadselachtige rondreizende, performatieve figuur die soms door de kunstenaar zelf wordt belichaamd. Billy Bluebird prijst de verdiensten van een Trip to Utopia aan en is slechts via een wandelstok (een emblematisch attribuut van het personage) aanwezig in de tentoonstelling. Hij is er ook door zijn bijdrage aan deze catalogus, die wij jou nu laten ontdekken.


L’invitation de m’occuper de la deuxième édition 2013 de Open M m’a à la fois surpris et séduit. J’étais reconnaissant de la confiance que l’Equipe de M, Luc Deleu et Eva Wittocx en particulier, ainsi que la Ville de Louvain me faisaient, tout en mesurant le challenge : réaliser en un temps très court une selection, une exposition au départ d’un appel à projet, arriver à quelque chose qui dépasse le stade additif de l’accrochage de “salon”.
Pour ma part, j’ai plutôt l’habitude de réaliser des expositions avec des oeuvres d’artistes dont je connais intimement le travail et développe mon activité de curateur autour de concepts et de contextes qui me sont propres et familiers.

Mais c’est précisément l’ouverture à l’inconnu, à l’aléatoire, à l’idée de décloisonnement et d’ouverture qui me décidèrent à accepter l’invitation. J’étais en outre interpellé et sensible au fait que le choix du curateur pour un appel à projet territorial (l’année passée, il était reservé à des candidats habitant en Brabant flamand) tombe sur un curateur bruxellois. C’était de la part de l’équipe de M jouer sur la pertinence d’un regard à la fois “extérieur” et proche, correspondant à la réalité décloisonnée, a–territoriale du fonctionnement du monde de l’art.

Cette année, une réflexion commune nous amena à assouplir et élargir les conditions de participation. L’appel à projet fut ouvert à des artistes nés en Brabant flamand (mais n’y habitant pas nécessairement) ainsi qu’à toute personne pouvant démontrer un lien suivi avec ce dernier (e.g. y ayant étudié, ou y travaillant etc…).
L’idée était en outre de renforcer l’aspect d’exposition, de liens et de relations entre les oeuvres dans l’accrochage des travaux sélectionnés. Pour ce faire l’équipe de M avait décidé de mettre à disposition du projet les salles 15,16,17 et 18 du musée, au lieu des X, Y qui l’abritaient l’an dernier. Cette décision a permis non seulement de varier les possibilités de regroupement et d’installation des oeuvres mais aussi, par la nature très différente des salles retenues de créer des atmosphères distinctes au sein de l’exposition.
Le choix du titre est venu assez naturellement, en réagissant à et en prenant à rebours la dimension “territoriale” de l’appel à projets, dimension, on vient de le voir assouplie pour cette edition : I could have lived here, et, prolongeons la formule, just as you could have lived there, or then…
Nous fûmes tous surpris par la quantité de dossiers introduits pour une deuxième édition, mais aussi par la diversité et la qualité de ces derniers. Cela nous amena aussi à dépasser le nombre de candidats que nous avions envisagé de sélectionner. 27 artistes ont été retenus in fine, une décision qui accompagnait (et fut aussi premise par) celle, avec le blanc-seing des conservateurs concernés, d’intégrer certaines pièces dans les espaces des collections permanentes de M. 

Ce choix répercute et prolonge également à l’intérieur même du musée la notion de décloisonnement et d’ouverture présidant à l’esprit d’Open M .
Ce qui était aussi interpellant, gage de la reconnaissance de la position que M occupe sur la scène belge, est le fait que l’appel suscita l’intérêt tant d’artistes établis, connus sur la scène, que d’artistes émergents ou d’artistes dont ce sera la première presentation en institution. J’ai été particulièrement sensible à cette dimension et ai veillé à (la) preserver, à maintenir une indifférenciation sélective dans le choix des artistes retenus quant à leur degré de reconnaissance, pour concentrer mon attention sur la façon dont les différentes propositions allaient fonctionner et s’agencer les unes avec les autres.
S’il fallait éviter de se laisser enfermer stricto sensu dans une “thématique”, le titre donne, au-delà d’une interpretation littérale relative aux critères territoriaux, des fils conducteurs ayant presidé de façon souple et non dogmatique aux choix réalisés.
Des liens libres cela dit, qui n’épuisent pas les “digressions” curatoriales ainsi que la polysémie, les dimensions multiples que chaque oeuvre nécessairement porte en elle. Au fil de la visite néanmoins, on se rend compte que de nombreuses travaux convoquent l’idée ou la référence à un ailleurs, qu’il s’agisse d’un ailleurs spatial, géographique (à l’instar des cartographies de Beyrouth réalisées avec des pare-brises brisés d’un Tom Bogaert ou encore, en plus proche, de la photographie de Clabecq de Pieter De Raedt, ou des intérieurs dévastés d’un Henk Van Rensbergen)

ou d’un ailleurs temporel (dans les têtes comme surgies d’un passé onirique d’un Bruno Hardt ou la vidéo Miserere d’Eda Lohmuys & XXXX), quand il ne s’agit pas d’oeuvres se donnant d’emblée comme des hétérotopies ou des utopias : je songe notamment ici aux cartographies d’une planète ayant survécu à la fonte des glaces de Kevin Reynaert ou encore à la vidéo Surviving New Land de Marjolijn Diijkman filmée depuis un bateau, sur fond de musique hollywodienne, où l’on fait le tour, comme s’il s’agissait d’une nouvelle terre promise, d’un îlot fantôme tour à tour emergé ou immergé et situé au large du port de Rotterdam.
L’idée de nomadisme intime et subjectif s’offrant de façon paradoxale au public est elle amenée par le projet Erasing Intimacy d’Annelies Vaneycken qui jonche l’espace de la grande salle des couvertures empruntées au personnes chez qui elle a logé pendant une période de sa vie.

Reggy Timmermans et Beatrijs Albers se sont eux infiltrés dans les reserves du musée pour en extraire des artefacts qu’ils ont mis en relation avec des objets du même type (contemporains ou de leur propriété), integré ensuite dans des modules sculpturaux qui les engloutissent, renversant ainsi la dynamique d’exhumation qu’ils venaient d’opérer.

Cela nous mène à un axe ultérieur (mais qui finalement rejoint le premier), celui d’une certaine résistance à la restitution figurative : la figure, l’effigie, les façades se dérobent dans de nombreuses propositions. Cela vaut tant pour l’inquiétant portrait photographique en pied de Bart Hendrickx que pour les énigmatiques et minutieuses formes hirsutes d’un Quinten Ingelaere,

ainsi que pour la photographie d’immeuble aveugle de Thomas Min, qui, non sans un certain humour assumé, a pu être utilisée comme visuel d’invitation pour ce projet qui exprime précisément l’ouverture et la transparence.